Pa

MIJN VERHAAL

In het boek “Promotie ‘42”, (zwarte rug en oranje kaft) in het middelste vak rechts in de kast, naast “50 Jaren”, staat op blz 137 tot en met 140 een verhaal van mij over de periode 13 augustus 1945 tot 1 januari 1982, dat voor het grootste gedeelte mijn loopbaan beschrijft bij de Koninklijke Landmacht (KL). In het bestand “Senior”, in de computer, staat ook een bladzijde die heet Curriculum Vitae; daarop staan een groot aantal jaartallen met daarachter de gebeurtenissen die in dat jaar plaatsvonden en in hoofdzaak mijn loopbaan betroffen.
Op aanraden van Ineke en Inge zal ik nu op deze bladzijden een aanvulling geven, opdat een en ander -voor zover nodig- jullie een beter inzicht zal geven in hetgeen ik zoal heb meegemaakt.
Allereerst nog dit: het boek geschreven door Leo de Hartog “Officieren achter prikkeldraad” in de boekenkast op de Laan van Meerdevoort beschrijft ook mijn periode van krijgsgevangenschap in Stanislau en Neu-Brandenburg, zodat ik dat hierin niet meer apart zal vermelden. Dat boek vind je op de middelste plank in het rechter gedeelte van de boekenkast. Ook raad ik jullie aan het voorwoord uit het in de aanhef genoemde boek “Promotie ‘42” goed te lezen, want wat daarin staat slaat ook op mij.

Goed dan, nu mijn verhaal, hier en daar in telegramstijl.
10 februari 1922 geboren in Amersfoort, Beekensteinschelaan 30, vader: Jan Frits Snijdewint,
1e Luitenant der Militaire Administratie, geboren op 2 juli 1892 te Semarang (Ned Oost Indië),
moeder: Maria Grotendorst, geboren op 28 maart 1892 te Naarden. Ik was een acht-maands kindje en lag in een geimproviseerde couveuse: een met watten gevuld sigarenkistje, dat voor de kachel lag en waarover mijn vader eens gestruikeld was, althans zo luidt een verhaal dat mij door mijn moeder is verteld.
In 1923 verhuisden wij naar Bergen op Zoom, waar op 24 november tante Pien werd geboren. Tante Bettie was reeds op 9 april 1920, ook in Amersfoort, geboren. In 1925 verhuisden wij naar Breda, waar mijn vader leraar werd aan de Koninklijke Militaire Academie.
In 1928 kreeg mijn vader de gelegenheid over te gaan naar het KNIL (Kon Ned Indische Leger), een wens die hij al heel lang had gekoesterd. Wij vertrokken dat jaar met het m.s. Johan de Witt naar Ned Indië. Zoals het in die tijd, en ook nog lang daarna, in het leger gebruikelijk was hoorde mijn vader pas toen de boot in Batavia aankwam dat hij geplaatst was in Magelang, een garnizoensplaats op Midden-Java. Wij moesten dus nog met de boot doorvaren naar Semarang. Elke twee weken kwam er in Indië een boot uit Nederland aan en ook vertrok er elke twee weken een met mensen die met verlof gingen of voor goed naar Holland terugkeerden. De passagierslijst van die boten werd een of twee dagen daarvoor in de kranten gepubliceerd. Voor wij in Semarang van boord gingen, kwam een half-broer van mijn vader aan boord om hem welkom te heten in Indië en hem te vertellen dat zijn moeder nog leefde en hem graag zou ontmoeten. Zij hadden zijn naam gelezen in de passagierslijst in de krant; zijn moeder was na zesendertig jaar de naam van haar eerste man nog niet vergeten. Mijn vader had haar nooit gekend omdat hij als baby door zijn vader mee naar Nederland was genomen en daar bij familie was ondergebracht en opgevoed, want zijn vader voer als machinist op de grote vaart. Zijn moeder was naar haar scheiding nog enige malen getrouwd geweest, maar geen van deze echtgenoten leefde nog. Wel waren er enige half-broers en -zusjes met wie wij later ook kennis maakten. Mijn vaders moeder noemden wij Oma Beer, want haar laatste man heette zo. In een van de fotoalbums in de kist zit wel een foto van haar.(Zie ook in “Mijn foto boek”in pc.)

In Breda was ik voordat wij naar Indië gingen voor het eerst naar de lagere school (=basis school) gegaan en in Magelang ging ik natuurlijk ook naar school. Ik bezocht daar een RK-school, geleid door de zusters Franciscanessen van Heythuysen. In een van mijn fotoalbums zit een bundeltje fotokaarten van dat instituut. Dichtbij Magelang ligt de tempel Boeroeboedoer, die wij vaak bezochten.

In 1930 werd mijn vader overgeplaatst naar Bandoeng op West-Java, waar wij vier jaar hebben gewoond. In die periode verhuisden wij ook een maal, van de Julianalaan 19, naar de Ternatestraat 6.
(De letter S is de 19de   letter in het alfabet).

 

 

Ik heb daar de lagere school afgemaakt, op twee verschillende Christelijke Lagere Scholen en deed in mei 1934 toelatingsexamen voor de HBS (Hogere Burger School), te vergelijken met het Atheneum van nu, alleen de leerstof werd toen in vijf jaar gedoceerd. De namen van de leerlingen die voor dat toelatingsexamen slaagden werden in de krant gepubliceerd. Mijn moeder zorgde ervoor dat een uitknipsel daarvan in mijn album werd geplakt; het zit er nog in!

In juni 1934 werd mijn vader weer overgeplaatst, ditmaal naar Bandjarmasin op Borneo (Kalimantan).
Daar was geen HBS, maar wel een MULO (Meer uitgebreid Lager Onderwijs), te vergelijken met de HAVO van nu. Wij bleven daar tot november 1935; mijn vader kreeg toen zeven maanden Europeesch Verlof, want hij had zeven jaar -praktisch zonder vakantie- dienst gedaan. In Bandjarmasin woonde en werkte in die tijd ook een zekere dokter Quadekker -een oom van Ineke- die in dienst was van het Indische Gouvernement en daarom nogal eens op inspectie in de binnenlanden van Borneo moest. Dat behoorde ook tot het werk van mijn vader, zodat zij dikwijls samen met de boot de rivier de Barito opgingen. Men sprak dan van “dokter Quadewint en Kapitein Snijdekker”. Wij wisten toen uiteraard niets af van het bestaan van Ineke. Het eerste wat tante Bettie en tante Pien zeiden toen zij Ineke’s naam hoorden was: “Quadewint en Snijdekker?”

Met verlof in Nederland verbleven wij haast vanzelfsprekend in Den Haag. Wij woonden toen aan de Thomsonlaan 19. Ik heb jullie zeker wel eens verteld dat ik daar die zeven maanden op de HBS aan de Beeklaan heb gezeten, het was een houten gebouw. Die school is later verhuisd naar het Stokroosplein, waarop Erik en Rob ook een paar jaar hebben doorgebracht.
De boten die naar en van Indië gingen en kwamen behoorden tot twee verschillende maatschappijen: de Maatschappij Nederland die Amsterdam als thuishaven had en de Rotterdamse Lloyd die in Rotterdam thuis hoorde. Zij vertrokken om de twee weken; de boten van de Rotterdamse Lloyd deden Marseille aan als Middellandse Zeehaven en die van de Maatschappij Nederland Genua. Je kon i.p.v. in Nederland ook in Marseille of Genua aan of van boord gaan en dus een gedeelte van de reis over land door Europa afleggen. Wij hebben dat zowel in november 1935 als in juni 1936 gedaan. De eerste keer gingen wij met de trein van uit Marseille door Frankrijk naar Nederland, niet in een ruk, maar met overnachtingen in diverse plaatsen waar wij dan ook wat van de bezienswaardigheden bezochten. Ik weet wel dat het toen een erg koude winter was. Op de terugreis naar Indië zijn wij via Oostenrijk gegaan, o.a. Linz, Innsbrück en Wenen.

Eind juli 1936 kwamen wij weer in Indië aan, waar mijn vader in Batavia werd geplaatst als admini-strateur van het Militaire Hospitaal. Daar heb ik de HBS afgemaakt aan de Carpentier Alting Stichting
(CAS) een lyceum waaraan zowel HBS A en B, als Gymnasium alpha en beta werd onderwezen. Op het gymnasium zat toen een klas hoger dan ik Hella Haasse. In haar boek “Een handvol achtergrond”,
in de boekenkast middelste gedeelte, beschrijft zij in hoofdstuk Batavia, blz 51 en volgende deze periode. Het was een heel plezierige en vooral onbezorgde tijd, waarvan ik zeer veel in het zwembad heb doorgebracht. Wij hielden regelmatig zwemwedstrijden met verenigingen uit andere steden.
De Stichting CAS-Reünisten houdt nog steeds jaarlijks een reünie ergens in Nederland, waar ik bijna altijd naar toe ga om oude vrienden en vriendinnen te ontmoeten. Ook andere Indische scholen doen dat; ook die reünies bezoek ik regelmatig. Nu al enige tijd niet meer!

In juni 1939 deed ik eindexamen (de opgaven zitten in een map ergens in de chinese kist) en direct daarna toelatingsexamen voor de KMA Breda, wat naast de belangrijkste schoolvakken nog een algemene ontwikkelingsonderzoek omvatte en verder veel sport. Voor dat laatste had ik een paar jaar paardrijles gehad en  de vierdaagse gelopen, die sinds twee jaar ook in Batavia werd gehouden. Er waren 25 plaatsen: 15 infanterie, 8 artillerie, 1 cavalerie en 1 voor de genie, waarvoor zich over de honderd kandidaten hadden opgegeven. Ik was zo gelukkig die ene genieplaats te krijgen. Met z’n 25-gen vertrokken wij op 2 augustus 1939 met het m.s. Dempo naar Nederland. (Zie ook in “Promotie ‘42” de blz Dempo 2 augustus 1939).
Op 9 september 1939 werd ik benoemd tot cadet voor het wapen der Genie bij het KNIL aan de KMA te Breda. Het eerste en voor mij enige studie-jaar op de KMA was maar van korte duur, want in mei
1940 brak de Tweede Wereld-oorlog uit met alle gevolgen van dien. Op 15 juni 1940 kregen wij cadetten eervol ontslag, niet op verzoek.

Van september 1940 tot mei 1942 volgde ik de studie voor civiel ingenieur aan de Technische Hogeschool te Delft, omdat die het beste aansloot op mijn genie-opleiding aan de KMA. In die periode leerde ik Anke Vos kennen, die het nichtje was van Mevrouw van Schaik, bij wie ik een kamer had gehuurd op de hoek van de Koornmarkt en de Breestraat. Dat zal begin 1941 geweest zijn, precies weet ik dat niet meer. Wel weet ik dat ik vanaf die tijd vaak op de Oude Delft kwam om daar te eten en een gezellige avond te hebben. Ook wandelden en fietsten jullie moeder en ik vrij veel in en in de omgeving van Delft. In december van dat jaar ging ik voor het eerst met de familie Vos mee naar de Kerstnachtmis. In de loop van het jaar 1942 volgde ik bij de toenmalige studenten-pastoor, die in huis woonde bij de familie van Moorsel, goede kennissen van de familie Vos, lessen over de inhoud van het RK-geloof. Hoewel ik vroeger in Indië nooit naar een kerk ging, was ik wel Christelijk opgevoed. Ik had inmiddels ook begrepen dat -indien ik ooit met jullie moeder zou willen trouwen- het voor haar ouders veel gemakkelijker zou zijn hun toestemming te geven als ik Katholiek zou zijn dan wanneer dat niet het geval was.

Als oud-cadet moesten wij ons van de Duitse bezetter regelmatig op het politiebureau melden, om te laten zien dat wij het land niet hadden verlaten om elders in de wereld tegen het Duitse leger te vechten. Op 15 mei 1942 was dat ook weer het geval, alleen moesten we ons toen melden in Breda in de Kloosterkazerne. Behalve wij cadetten, waren daar ook vele officieren van de KL die destijds, direct na de capitulatie, niet in krijgsgevangenschap waren gegaan. We werden vanuit Breda per trein afgevoerd naar Duitsland. Onze eerste internering was in Neurenberg-Langwasser, een kamp waarin ook Serven en militairen uit andere landen zaten. Hoewel wij als burger en in burgerkleren waren opgepakt stonden wij er op dat we als militaire krijgsgevangenen volgens de conventie van Genève zouden worden behandeld. Dit werd vrij gauw door de Duitsers erkend. Wij moesten een voorbedrukte kaart naar “huis” sturen om onze militaire uniformen te laten opzenden. Hoewel ik niet bij de familie Vos op de Oude Delft in huis was, had ik toch reeds enige tijd eerder op zolder een koffer met mijn militaire spullen klaargezet, kennelijk omdat ik vermoedde dat we wel eens zouden kunnen worden opgepakt. Zij konden die koffer dus gewoon naar mij opsturen.
Na Neurenberg heb ik met zovele andere cadetten en officieren in de kampen in Stanislau en Neu-Brandenburg gezeten. Hoe wij daar leefden is uitvoerig beschreven in het reeds genoemde boek van Leo de Hartog, in het bijzonder in de hoofdstukken X en volgende, ik zal dat  hier niet herhalen.
Wel vermeld ik nog dat ik op 25 april 1943 in krijgsgevangenschap te Stanislau ben gedoopt door de Aalmoezenier W.A.J.van der Maden die met ons in krijgsgevangenschap was. Mijn peter was daarbij de toenmalige Kapitein Jan Quadekker, een broer van Ineke.
Mijn bevrijding en terugkeer naar Nederland verliep ongeveer zoals vermeld in hoofdstuk XX van het boek van Leo de Hartog. Wij kwamen op 3 juni 1945 in Soesterberg aan waar we werden geregis- treerd; er waren verschillende vrachtauto’s met chauffeur beschikbaar om ons naar die plaatsen te brengen waar wij meenden dat we ons thuis hadden. Met enkele jaargenoten, die in Delft woonden, charterden wij een kleine vrachtauto met een Frans sprekende Canadees als chauffeur, die ons netjes naar Delft bracht. Op 3 juni 1945 net na middernacht belde ik op de Oude Delft aan en werd met vreugde ontvangen.

Op 15 juli 1945 hebben jullie moeder en ik ons keurig officieel verloofd met een echte receptie in het huis op de Oude Delft. Erg lang hebben wij daar niet van kunnen genieten, want begin augustus moest ik mij in Den Haag op het Ministerie van Oorlog melden waar ik te horen kreeg dat ik op 13 augustus naar Engeland zou gaan om te worden ingedeeld bij het Detachement Europa-KNIL te Malvern Wells (Transitcamp Woodfarm). In krijgsgevangenschap had ik via het Rode Kruis door middel van brieven en pakjes contact gekregen met mijn vader. Hij was vlak voor de inval van de Jappen in Indië admini- strateur geworden op de, als Hospitaalschip omgebouwde, Oranje. Na in de oorlogstijd over de vele zeeën te hebben gevaren, was hij wegens een hardnekkige eczeem, in het laatste jaar aan wal gegaan en te werk gesteld op het Nederlandse Ministerie van Oorlog in Londen. Gedurende mijn tijd in Malvern Wells zagen wij elkaar regelmatig. Toen hij in september van dat jaar naar Nederland ging, heb ik hem het adres van de familie Vos, mijn toekomstige schoonfamilie, gegeven, bij wie hij toen ging logeren. Ik vertrok op 3 oktober 1945 met de “Sterling Castle” uit Liverpool naar Australië.
 De bedoeling was dat wij, cadetten, met nog een groot detachement Nederlandse militairen in Batavia van de boot zouden gaan om daar “Orde en Vrede” te brengen. De Britten, die intussen op Java geland waren, lieten ons echter niet toe en zo voeren wij door naar Sydney. Vandaar gingen wij met de “Moreton Bay” naar Penang op Malakka, waar wij ongever drie maanden bleven. Pas op 28 jan 1946 kwam ik met het m.s. Bloemfontein aan in Batavia. Intussen waren mijn moeder, tante Bettie en tante Pien bevrijd uit het Jappenkamp. Tante Bettie, die al voor de inval van de Jappen in Indië met Oom Rein was getrouwd, ging met haar gezin naar Australië om daar te “recupereren” zoals de term toen luidde; het betekende toen zoiets als een extra verlof om te herstellen van de ontberingen ondergaan in de Jappenkampen. Tante Pien en mijn Moeder gingen naar Nederland; juist op het moment dat ik in Penang zat op Malakka gingen zij met de boot via Singapore naar Nederland, zonder dat wij elkaar hadden kunnen ontmoeten. Zij gingen in Nederland ook bij de familie Vos in Delft in huis, totdat zij na enige tijd verhuisden naar Amsterdam.
Opdat Ma ook naar Indië zou kunnen komen was het nodig dat wij getrouwd waren. Dat was toen alleen mogelijk door zoals dat toen heette, “met de handschoen te trouwen”. Zoals jullie dat al wel weten, is mijn vader toen voor mij “ingevallen” in het stadhuis te Delft. Als toekomstig officier bij het KNIL, was het bovendien vereist dat H.M. de Koningin Haar toestemming tot dat huwelijk verleende. Een en ander kwam mede door de hulp van mijn vader, ook een KNIL-Officier, tot stand en op 9 feb 1946 trouwden zij op het stadhuis in Delft. Ma vertrok eind mei van dat jaar met de Oranje naar Indië, waar zij op 23 juni aankwam. Ongehuwd samenwonen kwam toen bij ons niet voor, zodat ons huwelijk nog diezelfde dag in de Kerk van de H.Theresia te Batavia werd ingezegend.

Voor wat betreft mijn loopbaan met de diverse plaatsen en functies als genieofficier verwijs ik jullie nu naar het in de aanhef van dit verhaal genoemde boek “Promotie ‘42”.

Voor de gebeurtenissen die meer direct met ons gezinsleven te maken hebben, zal ik nu trachten daarover het een en ander te vertellen.
Zoals ik al in Promotie ’42 schreef, kon Ma pas in november 1946 samen met Lizzy Flohr op de Johan de Witt naar Holland terug keren. Beide dames waren in verwachting, Ma van Jan Frits en Lizzy van Ragnar, die nu in Amerika woont. Die boottocht was niet zo’n pretje want Ma was, zoals altijd tijdens een zwangerschap, zeker de eerste maanden erg misselijk. Hoewel de zee erg kalm was en Ma nooit zeeziek was, moest zij nu bij het kleinste golfje al overgeven. Eind november kwam zij in Holland aan en wij gingen bij Pa en Ma Vos inwonen op de eerste verdieping.
Over de geboorte van Jan Frits schreef ik reeds in het door Mirjam samengestelde boekje ter gelegen-
heid van zijn 50ste verjaardag.

Toen ik in augustus 1949 weer alleen terug ging naar Indië bleef Ma in Delft wonen; ik wist niet of en hoe de eventuele huisvesting in Indië zou zijn en bovendien was zij in verwachting van Fredje, die op 13 januari 1950 in Delft werd geboren. Aangezien ik zonder gezin in Indië was, leefde ik in de veschillende Officiersmesses in de plaatsen waar ik werkte. Op 26 juli 1950 werd het KNIL opgeheven en ging ik over naar het Nederlandse Leger, de Koninklijke Landmacht. Ik werd geplaatst in Buitenzorg, dat vanaf die tijd Bogor heette, als Genieadviseur van de Nederlandse Militaire Missie bij het Indonesische Leger. Ik kreeg daar een eigen huis, een vroegere luitenants-woning van het KNIL, en omdat ik niet wist hoelang mijn verblijf in Indonesië nog zou duren, liet ik Ma met de twee jongens naar Bogor komen. Ik wist toen niet dat Fredje wegens zijn astmatische aanleg niet tegen het tropische klimaat kon. Nadat zij eind juni 1951 in Bogor waren aangekomen, na een voor Ma niet zo’n prettige zeereis, stierf Fredje helaas op 6 juli 1951. Hij is begraven op het openbare gedeelte van de militaire begraafplaats Menteng Pulu in Djakarta. Hoewel Ma slecht tegen het tropische klimaat kon, hebben wij toch wel een prettige tijd gehad in Bogor. Er was een vrij kleine maar hechte en gezellige gemeenschap van Nederlanders die nog bepaalde ook voor de Indonesiers belangrijke functies vervulden. Wij hadden regelmatig onze bijeenkomsten in de Sociëteit: dansen, muziek en ook veel bridgen. Op 29 december 1952 om 02.50 uur werd Frank geboren; bij de bevalling moest ik ook een  handje helpen, maar er was een zeer bekwame Indonesische vroedvrouw die met een jong hulpje alles op een voortreffelijke wijze verrichtte.

Op 19 november 1953 gingen we  -voor het eerst samen op dezelfde boot, de Willem Ruys, naar Nederland terug. Voorlopig gingen we weer bij de oudelui Vos op de Oude Delft in Delft wonen.
Ik was geplaatst in Den Haag op de Inspectie der Genie en ging dagelijks met de tram en de bus naar mijn werk. Soms mocht ik wel eens de auto van Pa Vos lenen.
23 Augustus 1954 om 08.55 uur werd Els in Alkmaar geboren. Wij: Ma, Frits, Frank en ik waren met de auto van Opa Vos op vakantie in Bergen aan Zee. Volgens de huisarts in Delft zou de geboorte van Els nog wel enige tijd duren en konden wij best op vakantie gaan. Hij had het niet zo goed gezien. In de nacht van 22 op 23 augustus belde ik een arts uit Alkmaar, want de geboorte kondigde zich aan. Frits en Frank in het hotel in Bergen achterlatende, reed ik midden in de nacht achter de arts aan, bij wie Ma in de auto zat, naar het RK-Ziekenhuis in Alkmaar, waar Els de volgende morgen vroeg werd geboren. Weer thuis in Delft bleek spoedig dat de verdieping wel wat klein voor ons gezin met drie kinderen begon te worden, zodat we naar een woning in Den Haag gingen uit kijken..
De juiste datum weet ik nu niet meer, maar het moet zo ongeveer eind 1954 of begin 1955 zijn geweest, toen wij verhuisden naar de Johan Maetsuyckerstraat 122 in Den Haag. Dit was een zg portiek-woning, eerst een stenen buitentrap, net als bij Frits in de Oudemansstraat, maar dan de middelste deur en weer een trap naar het eigenlijke huis, dat twee verdiepingen had. Hier bleven wij wonen tot na de geboorte van Mark, die plaats vond op 8 oktober 1955 om 22.45 uur. Wederom werd de behuizing voor ons gezin te klein. Oom Rein die toen met zijn gezin in de Aronskelkweg 136, hun
eigen huis, woonde werd overgeplaatst naar Eindhoven, waar hij een dienstwoning kreeg. Hij bood ons aan in hun huis te gaan wonen, omdat hij wel wist dat hij t.z.t. weer naar Den Haag zou terug-
keren en dan weer in zijn eigen huis wilde gaan wonen. Ik meen dat wij eind november of begin december 1955 naar de Aronskelkweg verhuisden. Oma Snijdewint, die na het overlijden van Opa Snijdewint in oktober 1953, in Amsterdam was blijven wonen, had kort daarvoor op aanraden van tante Bettie een pas gebouwde flat gekocht aan de Laan van Meerdervoort nr 1658. Dus nu voor ons vlakbij. Kort na zijn geboorte werd Mark ernstig ziek en moest worden opgenomen in het Juliana-kinderziekenhuis. Hij werd daar o.m behandeld door de kinderarts Mevrouw Wils Alting von Geusau, van wie wij na zijn beterschap de naam spoedig vergaten. Zij vergat onze naam echter niet, want toen Ma in 1970 ging bridgen in de Bridgesociëteit op het Noordeinde, waar deze, uiteraard toen reeds gepensioneerde, kinderarts ook lid van was, wist zij Ma te vertellen dat zij zoveel jaren geleden Mark had behandeld. Ook bleek zij evenals wij te behoren tot de parochie van de H.Pastoor van Arskerk. Nog weer later vernam ik dat zij een tante was van een neef van Ineke, Jan Willem Alting von Geusau, die marineofficier was en nog voordat hij zestig jaar was overleed.

In de flat aan de Aronskelkweg zijn zoals jullie je wel kunt herinneren achtereenvolgens geboren:
Erik op 15 december 1956  om 19.35 uur;
Robert op 29 december 1957 om 00.07 uur in het Westeinde-ziekenhuis:
Fred op 19 augustus 1959 om 20.53 uur en tenslotte
Inge op 21 december 1961 om 15.30 uur.
Met veel improvisatie, een scheidingswand en stapelbedden, de kinderen achterelkaar in het bad met hetzelfde water uit de boiler, enz, enz, wisten wij ons te behelpen in deze middelmatig grote vierkamer
flat. In april 1962 werd ik overgeplaatst naar Wezep als Commandant van de Mechanische Uitrusting en Vakschool, waaraan geniesoldaten werden opgeleid tot machinist grondverzetmachine (bulldozers, graders enz), kraanmachinist en electrisch-aggregaatmachinist. Ik kwam alleen in de weekeinden thuis, de ene keer van vrijdagavond tot maandagmorgen, de andere week van zaterdagmiddag tot zondagavond. In 1963 werd Oom Rein weer geplaatst op het hoofkwartier van de Koninklijke Lucht-
macht in Den Haag. Zij wilden eerst een ander huis zoeken, maar dat lukte niet, bovendien was het huis aan de Aronskelkweg voor ons eigenlijk alweer veel te klein.  Ma en ik besloten weer een andere tampat te gaan zoeken. Omdat ik in Wezep werkte kwam dat zoeken voornamelijk op Ma neer. Zij vond op een gegeven moment het huis in de Riënzistraat, dat echter een koophuis was; wij hadden tot dan toe altijd in een huurhuis gewoond. Er moest wel wat nagedacht worden en naar hulp worden gezocht. Gelukkig leefde Opa Vos nog; hij leende ons een paar “centjes”, die later met de erfenis zouden worden verrekend. Dankzij een regeling van het Ministerie van Defensie, die de notariskosten voor zijn rekening nam als ik beloofde de woning langer dan tien jaar te bewonen, of bij eerder verlaten van de woning, deze aan een ander defensie-lid te verkopen (wat ik natuurlijk onmiddellijk beloofde) konden wij met een voor ons niet te hoge hypotheek het huis op nummer 19 kopen.
 Als extra financiele compensatie had ik van het Mindef gedaan gekregen dat ik mijn verhuiskosten vergoed kreeg, omdat het ministerie geen extra kosten behoefde te maken voor de huisvesting van oom Rein met zijn gezin, die van uit de dienstwoning in Eindhoven direct in zijn eigen huis in Den Haag kon gaan wonen. Normaal moest je de kosten van een niet gedwongen verhuizing, zeker binnen je standplaats, zelf betalen. Ik was namelijk in mei 1963 weer van Wezep overgeplaatst naar de Inspectie der Genie in Den Haag. Zo verhuisden wij (voor de laatste keer?) naar de Riënzistraat alweer op nummer 19, in welk huis jullie het grootste deel van je jeugd hebt gewoond; ieder heeft daar zo zijn eigen en ook gezamenlijke herinneringen aan.

Helemaal aan het begin van dit “Verhaal” vermeldde ik dat Ineke en Inge mij het schrijven hiervan hadden aangeraden. Toen Fred hoorde dat ik er mee begon, vroeg hij mij het niet te beperken tot het opsommen van gebeurtenissen, maar er ook “achtergrondgedachten” in te verwerken. Hij bedoelde daarmee dat ik onder andere zou vertellen waarom b.v. hij FRED was genoemd. Hoe wij er toe kwamen om jullie je naam te geven die je nu hebt, weet ik niet meer met zekerheid. Toch waag ik een poging:
                       

JAN FRITS:  (geb di 1-4-‘47  08.30 uur in Delft) naar beide grootvaders, of eigenlijk alleen naar die van mij,maar gelukkig heette Pa Vos ook Jan van zijn voornaam; peter en meter waren Pa en Ma Vos.
FRED:            (Fredericus Gerardus Marie geb vr 13-1-’50 in Delft) omdat ik tijdens de geboorte in Indië was, vond Ma dat hij Fred moest heten en Gerardus naar zijn oom, die peter werd; overleden
 6-7-‘51.
FRANK:         (Franciscus Gerardus Marie geb ma 29-12-’52 02.50 uur in Bogor) omdat hij in Azië geboren was noemde ik hem naar Franciscus Xaverius, een Heilige die missionaris was geweest in Azië (vnl in India en in Japan), en Gerardus naar zijn Oom, zie boven, Fred leefde immers niet meer.
ELS:                           (Elisabeth Maria geb ma 23-8-’54 08.55 uur in Alkmaar) naar beide grootmoeders, zij was het eerste meisje. Haar meter en peter ware tante Pien en oom Ernst.
MARK:          (Marcus Herman Marie geb za 8-10-’55 22.45 uur in den Haag) naar de Evangelist Marcus, wij zaten toen in een zg ecclesiaclubje en lazen waarschijnlijk meer dan anders in de bijbel; Herman naar zijn peter, een collega van mij, Herman  Groenewegen, die al heel lang in Roden (Groningen) woont. (Hij is overleden op 15 april 2003).
ERIK:                        (Erik Marie geb za 15-12-’56 19.35 uur in den Haag) zijn meter en peter waren tante Annie van Schaik, de zuster van Oma Vos, en naar ik meen Opa Vos, want Oma Vos was reeds overleden. Waarom wij hem Erik noemden weet ik niet meer.
ROBERT:      (Robertus Marie geb zo 29-12-’57 00.07 uur in den Haag) zoals reeds vermeld op de vorige bladzijde werd hij in het ziekenhuis geboren, met de Keizersnede, omdat er wat complicaties waren. Ma kon kiezen voor 28 of 29 december: zij vond “onnozele kinderen” niet zo’n beste dag en koos voor de 29ste, vandaar zijn geboorte uur: 00.07.  Zijn peter en meter waren de oom en tante van Ma: Aad en Annie Vos-van Moorsel, die in Rotterdam woonden. Waarom wij voor Robert kozen en niet voor Aad, weet  ik ook niet meer.
FRED:                        (Frederik Joannes Marie geb wo 19-8-’59 20.53 uur in den Haag) Ma en ik meenden dat hij wel de laatste jongen zou zijn. Ma wilde daarom nog een extra herinnering aan onze tweede zoon en gaf hem mijn twee laatste voornamen. Zijn peter en meter  waren Joop en Coby Maas; Joop was officier bij de Koninklijke Luchtmacht, beiden waren actief in de parochie. (Joop overleed 21-9-’98).
INGE:                        (Ingrid Agatha Maria geb do 21-12-’61 15.30 uur in den Haag) omdat de voorletters van de namen van Ma en de eerste dochter A en E waren vond ik dat nu de I aan de beurt was. Ingrid vonden wij het aardigste. Peter en meter waren Jan Frits en de baker tante Agaatje, vandaar de tweede naam.
SNIJDEWINT: Zou zijn afgeleid van Wantscheider, zeil- en/of kleermaker. Robert weet er meer van!

Wat zal ik nu nog verder vertellen over al wat er na 1963, in de Riënzistraat met Ma, mij en met ons allen is gebeurd. Jullie hebt het zelf allemaal meegemaakt.
In het bijzonder voor Ma, maar natuurlijk ook voor mij, was het vertrek uit de Riënzistraat van een van de kinderen  telkens weer een emotionele gebeurtenis. Als eerste ging Frits weg, ik meen in 1967, toen hij beroeps militair werd. Els was de volgende, zij ging eerst bij Oma op de Laan van Meerdervoort wonen, dus nog niet zover weg; ze verhuisde een keer en ging daarna  met Hans samenwonen, voordat zij in 1976 trouwden. Frank, Mark en Erik verlieten het huis omdat zij gingen trouwen; Robert ging  naar Noorwegen en daarna op zichzelf wonen en vervolgens met Pascha samenwonen. Fred en Inge bleven het langst bij ons in de Riënzistraat. Wat mij elke keer weer opviel was: nauwelijks had de vertrekkende de deur achter zich dichtgetrokken, of de anderen waren al bezig met een interne verhuizing,  van te voren was al uitgemaakt wie welke kamer kreeg.

 

Wat nu volgt zijn beschijvingen van gebeurtenissen en over personen waarvan ik meen dat deze ook voor jullie interessant zullen zijn, hoewel het niet allemaal nieuwe verhalen zijn.

 

In de 19de eeuw op 31 mei 1877  trouwde in Rotterdam Maria Agnes Adriana Petronella Bax (geb 09-01-1856, overl 09-02-1906) met Johannes Hendrikus Marie Lutz (geb 02-11-1850, overl 13-10-1939).
Zij kregen twee dochters; een daarvan, Johanna Petronella Maria(geb 27-01-1880, overl 25-12-1966) trouwde op 17 jan 1905 in Rotterdam  met 1e Luitenant der Infanterie Eugène Nicolaas Leonard Quadekker(geb 4-6-1878, overl 4-9-1924); zij werden de ouders van Ineke.
Agnes Bax had nog twee zussen, zij trouwden met twee broers Vos.
De ene, Maria Geertruida Johanna Josepha (geb 08-07-1861, overl 30-03-1912) trouwde op 9 juli 1885 met Gerardus Josephus Vos (geb 18-03-1860, overl 24-07-1946). Zij kregen negen kinderen, waarvan een Joannes Lucius Cornelis Marie heette. Hij trouwde later in Delft met Elisabeth Geertruida Maria van Schaik. Zij werden de ouders van Ma. Dit is de familierelatie tussen Ma en Ineke hun grootmoeders (bij Ma van vaderszijde en bij Ineke van moederszijde) waren zusjes. Ma en Ineke werden kort na elkaar geboren resp. op 26 maart en 23 februari in het jaar 1920. Ma en Pa Vos waren voor Ineke tante Lies en oom Jan, die zij vaak op de Oude Delft 210 bezocht; daarom kan zij met Frits, Frank en Els over dat huis meepraten. (Zie ook de stambomen Bax en Vos in Nieuwe Map .

 

Op blz 3 hiervoor staat in de derde alinea dat ik in Batavia op de CAS zat en nu nog regelmatig naar de jaarlijkse bijeenkomsten van de Stichting CAS-Reünisten ga. Op een van deze reünies ontmoette ik Pia Mes-von Barnau Sythoff, die in de jaren 1937 tot 1941 bij tante Pien in de klas zat ook op de CAS en zich mij nog heel goed herinnerde van onder meer het zwembad Tjikini in Batavia. Sedert dien heb ik deze reünies steeds met haar bezocht. De laatste  jaren worden die gehouden in het Best Western Hotel in Zoeterrmeer en logeert Pia bij mij. Met haar ga ik ook naar de KNIL-reünies, die elk jaar op 26 juli worden gehouden in de Kumpulan Bronbeek in Arnhem, haar man heeft ook bij het KNIL gediend. Zij woont sinds zij weduwe is in Nijmegen zodat ik bij haar kan logeren als wij naar Bronbeek gaan. Ook ga ik met haar naar de reünies van KRIS (Komitee Reünisten Insulinde Scholen) die elk jaar op de eerste zaterdag in september worden gehouden in Hotel Bel Air hier in Den Haag. Omdat Pia op meer scholen dan de CAS in Indië heeft gezeten zijn we ook lid van die club. Inge, Frits, Frank en Mirjam, Fred en Erik hebben Pia al eens hier bij mij ontmoet, misschien maken de anderen ook nog met haar kennis. Nadat ik enige malen bij haar had gelogeerd, vroeg een nieuwsgierige buurvrouw aan haar: “Was je vrindje er weer?” Maar zij antwoordde: “Hij is niet mijn ‘vrindje’, maar mijn oudste vriend, ik ken hem al vanaf mijn 13de jaar!”

Toen wij op de Aronskelkweg gingen wonen, zie blz 5, ben ik direct op zoek gegaan naar de kerk waartoe wij zouden behoren. In de H.Pauluskerk aan de Mgr Nolenslaan vertelde men mij dat ons huis stond in een nieuw te stichten parochie voor de wijken Bohemen-Waldeck-Kijkduin. Die parochie, een afsplitsing van de parochie O.L.V.Hemelvaart in Loosduinen, had nog geen kerk, maar de viering op zondag vond plaats in de gymnastiekzaal van de Dalton HBS. Pastoor J.H.M.van der Vliet, die kapelaan was in de parochie O.L.V.Hemelvaart werd op 9 juli 1961 geïnstalleerd als bouwpastoor van de H.Pastoor van Ars-parochie. Na vrij korte tijd werd een houten noodkerk neergezet in het bos aan de Aaltje Noordewierstraat, iets dichterbij de Laan van Meerdervoort dan waar nu de kerk staat.
Vrij spoedig trad ik toe tot het college van collectanten, dat uit een man of tien bestond.
De architect Aldo van Eyck werd door het toenmalige kerkbestuur aangezocht om een kerk te ontwerpen. Hij is wel met iets zeer markants voor de dag gekomen, waarvan de bouw nogal wat hoofdbrekens heeft gekost aan het bouwteam. Op 20 december 1969 werd de nieuwe kerk in gebruik genomen. Omdat ik vond dat ik als parochiaan iets meer moest doen dan alleen maar optreden als collectant, eens in de zoveel weken op zaterdag of zondag tijdens de eucharistie-viering, trad ik op
1 mei 1974 toe tot het kerkbestuur van die parochie. Mijn belangrijkste taak werd het regelen van en het toezicht houden op de uitvoering van het onderhoud van het kerkgebouw.

 

Op 1 maart 1980 werd ik benoemd tot voorzitter van het parochiebestuur, voor een 1e periode van
4 jaar; vanaf 1 maart 1984 werd ik weer benoemd voor een tweede periode van 4 jaar. In afwijking van het Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie werd ik m.i.v 1 maart 1988 voor een derde periode van 4 jaar benoemd tot lid van het parochiebestuur. Met ingang van 1 januari 1989 werd ik benoemd tot vice-voorzitter van het kerkbestuur voor de resterende termijn van mijn vorige benoeming, dus tot 1 maart 1992 deze periode werd in februari 1993 nogmaals verlengd tot 1 maart 1994. Op die datum werd mij op de meest eervolle wijze ontslag verleend als lid van het parochie-
bestuur van de parochie H.Pastoor van Ars.
Als erkenning voor mijn bemoeienissen met de parochie als lid, voorzitter en vice-voorzitter van het kerkbestuur, werd ik door Paus Joannes Paulus II benoemd tot Ridder in de Orde van de H.Gregorius de Grote. Tijdens de eucharistieviering op 20 december 1994 reikte Mgr Bär, bisschop van Rotterdam, mij de versierselen behorende bij die ridderorde uit.
In die periode van 1 mei 1974 tot 1 maart 1994, dus bijna twintig jaar dat ik lid was van het parochie/kerkbestuur, waarvan veertien jaar als (vice-)voorzitter, is wel het een en ander gebeurd.
Na pastoor van der Vliet, die in 1975 met emeritaat ging, hadden wij geen eigen pastoor meer.
Er werd een zg Pastoraal team gevormd voor de parochies H.Paulus en H.Pastoor van Ars dat later omgedoopt werd tot Pastoraal College. Omstreeks half 1985 vonden wij in het kerkbestuur dat we weer een zelfstandige parochie moesten worden met een eigen geestelijke en minder afhankelijk van de H.Paulus-parochie. De toenmalige deken Kwaaitaal stelde ons voor een zekere diaken Louis J.W.Berger, die assistent in de kerkgeschiedenis en studentenpastor in Fribourg (Zwitserland) was, in het pastoraal college op te nemen met als een van zijn hoofd-taken zitting te nemen in het parochiebestuur van de H.Pastoor van Ars.
Dit gebeurde op 1 januari 1986. Spoedig bleek dat wij daarmee een zeer geschikte pastor hadden binnengehaald, die weliswaar  heel eigen meningen had en die ook binnen en soms buiten het parochiebestuur naar voren bracht, maar die zich ook aan onze ideeën kon aanpassen. Wij begrepen al gauw dat indien wij hem voor onze parochie wilden behouden wij moesten proberen de bisschop van Rotterdam zover zien te krijgen dat hij diaken Berger tot priester zou wijden. Na diverse besprekingen met  en een uitvoerige “petitie” aan de bisshop werd Louis Berger op 3 december 1989 in onze kerk tot priester gewijd. Ik heb er geen spijt van dat ik mij destijds zeer daarvoor heb ingespannen. Ondanks zijn “eigenzinnige” meningen en wijze van optreden blijf ik volhouden dat hij meer mensen “aantrekt” dan “afstoot”.

Van de reeds meermalen genoemde “club” Promotie ’42, was ik sedert medio 1993 penningmeester. Met enkele collega’s organiseerden wij onze jaarlijkse reünies, waarbij het een ieder vrij stond al of niet zijn partner mee te nemen. Vroeger ging Ma met mij mee, later Ineke en nog later Pia. Wij begonnen in 1939 op de KMA met 110 man. Thans, 1 jan 2001, leven er nog 45, waarvan 11 in het buitenland. Ook 27  weduwen (waarvan 7 in het buitenland) zijn lid van onze club.(Zie ook map Promotie ’42 in deze pc).
Andere militaire verenigingen waarvan ik lid ben zijn:
de VOG (Vereniging Officieren der Genie), hiervan was ik van 10-10-1958 tot 24-01-1969 secretaris, in die periode heb ik mijzelf een beetje leren typen op een schrijfmachine;
de KVEO (Koninklijke Vereniging van Eervol ontslagen Officieren van de Nederlandse Krijgsmacht); naar de happenings van deze twee verenigingen ging Ineke zoveel als mogelijk is mee.
de VOOK (Vereniging van Oud-Officieren KNIL).
Wanneer Ma ziek en bedlegerig werd weet ik niet meer zo precies. Maar een van jullie en later ikzelf bracht haar het warm eten op bed. Op 1 juni 1994 overleed zij in het ziekenhuis Leyenburg .
In 1998 ben ik lid geworden van de “Caemer die Haeghe”, een club van mannen die op een of andere wijze zich nauw verbonden voelen aan de vroegere V.O.C. (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en/of aan het oude Ned. Oost-Indië. Na mijn 80/85ste heb ik dat lidmaatschap opgezegd.
In 2004 ben ik voorzitter/secretaris geworden van de Vereniging Oud Officieren KNIL (VOOK), die jaarlijks op 26 juli haar  reünie heeft in de Kumpulan van Bronbeek te Arnhem; Pia gaat dan met mij daar naar toe; een uitstervende vereniging. (Zie ook map VOOK).
De laatste reünie was in 2010. Pia overleed 4 maart 2011 in Nijmegen.
5 Augustus 2010 ben ik verhuisd naar het Woon- en Zorgcentrum Duinhage, de Savornin Lohmanlaan 202, k704. Hier ontmoette ik Beb van Raai-Sarink, met wie ik na enige tijd een (bejaarden)relatie ben aangegaan.
Tot slot lieve kinderen nog dit. In het bestand “Senior” waarin dit verhaal is vermeld, bevindt zich ook een document getiteld: Epilogus Patris, daarin heb ik aangegeven hoe en welke zaken ik geregeld wil hebben na mijn overlijden. Alles staat bovendien nog op een USB-stick.